Het moment dat ik besloot een boek over oma te schrijven

Zondag 09 september 2018


De start van een nieuw boek. 

Woensdag 11 november 2015, 16.00 uur, publiceer ik mijn eerste boek. Een gelukzalig gevoel overvalt me. Het is klaar, het gaat de grote wereld in. Maar ook een angstig gevoel overvalt me. Wat gaan de lezers zeggen, vinden ze het wel wat. Als even later de positieve reacties binnenstromen weet ik dat ik er goed aan gedaan heb om alles over mijn rouwproces (tot dan toe) aan het papier toe te vertrouwen. 

Woensdag 14 september 2016, 19.00 uur, zit ik in een restaurant, samen met vriendinnen uit Venlo. Iedereen heeft veel te vertellen, vakantie net achter de rug. Zo vertelt Toos over haar dagje Dordrecht. Ik reageer daar enthousiast op door te melden dat mijn oma daar is geboren. ‘In 1887, en de familie heeft daar een horecabedrijf gehad, en… en…’ Ik haper: ‘verder weet ik het niet, ze zijn weer terug gekomen naar Schaijk. Maar leuk hè, dat mijn oma daar is geboren.’ Hoe meer ik zeg, hoe dommer ik me voel. Niet dat iemand dat merkt, de gesprekken gaan heen en weer, iedereen vol van de voorbije zomer. 

Woensdag 14 september 2016, 23.00 uur, zit ik achter het stuur van mijn auto, op weg naar huis, naar Siebengewald. Vanaf het moment dat ik tijdens het diner oma aanhaalde heeft zij me niet meer los gelaten. Sinds het schrijven en publiceren van mijn eerste boek is het bij mij gaan kriebelen. Het smaakt naar meer waarbij ik direct één ding zeker wist, het volgende boek gaat niet weer over rouw, nee, dat wordt een stuk gezelliger!
Ineens valt het kwartje, ik ga over oma schrijven, over de periode dat ze in Dordrecht woonde. 40 kilometer en 30 minuten lang rij ik met een big smile op mijn gezicht naar huis. Terwijl ik de auto op de oprit parkeer neem ik me voor om de volgende ochtend mam te vragen wat zij zich nog kan herinneren van haar moeder, wat zij haar kinderen verteld heeft over die bewuste periode. En ja, ik ga ook naar Dordrecht. Dan duik ik daar de archieven in en ga ik de voetstappen van mijn voorouders opzoeken. 

Woensdag 16 november 2016, 13.00 uur, zit ik samen met mijn zus Corry in een zaal in het Regionaal Archief van Dordrecht. Een gil kan ik niet onderdrukken als we het bewijs vinden van het hotel waar ze gewoond hebben én van het café dat ze gerund hebben. ‘Zij’ zijn mijn overgrootouders Marjanneke en Joost de Kleijn en hun vier kinderen Kee, Tinus, Dorus en Betje (mijn oma).

Zaterdag 11 februari 2017, 11.00 uur, zit ik in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam, op het event ‘Schrijf!’ Daar ontmoet ik schrijfcoach Jolanda Pikkaart. Intussen heb ik beseft dat het schrijven van mijn eerste boek, uit mijn eigen gevoel en herinneringen andere koek is dan het schrijven van een historische roman. Daar in Amsterdam besef ik, mede door alle workshops en gesprekken met aspirant-collega’s, dat wat hulp bij het schrijven van een nieuw boek niet verkeerd is. 

Woensdag 18 januari 2018, 10.00 uur, zit ik thuis achter mijn computer, verstuur ik het éérste hoofdstuk van mijn toekomstig boek naar Jolanda. Met spanning wacht ik haar feedback af. Als die eind van de dag binnenkomt weet ik dat ik op de goede weg zit. Maar ook dat ik moet letten op ‘de lijdende vorm vermijden’, het perspectief vasthouden, de dialogen goed uitwerken, tegenwoordige tijd en verleden tijd niet door elkaar gooien… En zo nog meer van die opmerkingen. Ik leer snel heel wat bij! 

Woensdag 30 mei 2018, 9.00 uur, zit ik thuis aan de ontbijttafel, bij te komen van het noodweer van de avond ervoor. Geen internet, geen telefoon, geen tv. Alles ligt plat, in heel Siebengewald. Paar dagen ervoor heb ik het 20 jarig bestaan gevierd van De Bourgondische Hoeve, waar ik helemaal vol van zat, het was ook een heerlijke dag. Maar het lijkt wel alsof ik door de bliksem, de spanning die om me heen knetterde, van de leg ben. Voorlopig geen ‘Marjanneke’…

Woensdag 5 september 2018, 08.00 uur, ben ik weer gaan schrijven aan mijn boek wat te lang heeft stil gelegen. Ik heb Marjanneke, de moeder van mijn oma Betje, weer opgezocht, in haar eerste woning in Dordrecht op Sluisweg 17. Zij neemt mij wederom mee terug in de tijd, naar 1884, het jaar waarin Marjanneke samen met haar kinderen voor het eerst voet aan wal zetten, op het eiland Dordrecht. Maar voordat ik het schrijven ga hervatten lees ik de eerste hoofdstukken terug. Meteen krijg ik de neiging om enkele regels aan te passen, maar daar moet ik nog mee wachten. Wel frappant, ik zit er meteen weer middenin. Hmm, niet verkeerd. Maak ik jullie nu nieuwsgierig? Willen jullie een stukje meelezen? Oké, een paar regels dan…

Maart 1884
De grote reis

Naast de oorverdovende herrie braakt de locomotief ook flinke stoomwolken uit. Met rode koontjes neemt Marjanneke samen met haar drie kinderen plaats in de treinwagon, dicht bij het raam. Betje, de jongste van het stel, zit bij Marjanneke op schoot en kijkt met grote ogen rond en klampt zich vast aan haar moeders jas. Langzaam komt het grote stalen monster, met schokkende bewegingen, op gang. Het ontsnappende stoom geeft als afscheid voor de achterblijvers een krachtig fluitconcert. Tussen de mensen op het perron staat ook familie van Joost, Marjannekes man, waar ze vannacht hebben gelogeerd. Marjanneke en de kinderen zwaaien net zo lang tot ze hen niet meer kunnen zien. De grote reis naar Dordrecht is nu echt begonnen. Een gevoel van spanning en vreugde giert door Marjannekes lichaam. Met haar vrije hand wrijft ze automatisch over haar buik. Ze slaakt een diepe zucht en maant zichzelf tot rust want ze moet ook rekening houden met de baby die op komst is.