Februari 1944

Zaterdag 09 februari 2019


Winkelhaak
Mien, de boerin waar Betsy die dag werkt, komt gehaast de kamer binnen. De hele ochtend loopt Mien al heen en weer naar haar buurvrouw die op het punt van bevallen staat.
“Je merkt het wel, ik heb deze keer niet veel verstelwerk Betsy. Alleen nog deze overall, van Bertus, met een winkelhaak, kijk. Hij kan die niet missen.”
Betsy ziet, als Mien de mouw onder Betsy’s neus duwt, dat het een flinke scheur is.
“Ik zal die eerst dichtnaaien en dan zet ik er een lapje stof op.”
Betsy buigt zich voorover om uit de mand met restjes stof een geschikt lapje te zoeken.

Mien legt meteen het stapeltje goed dat klaar is weg in de kast. “Dat ziet er allemaal weer netjes uit Betsy.” Tegelijk pakt ze geld uit de grote portemonnee.
“Als je straks die overall klaar hebt mag je van mij naar huis, ben je lekker vroeg thuis.”
Als Betsy even later alles heeft opgeruimd pakt ze haar jas en tas.
“Kom je over twee weken weer?”
“Dat is goed Mien, is het eerder nodig dan hoor ik het wel. Houdoe.”

Jurkjes
Op de fiets bedenkt Betsy welk naaiwerk ze straks thuis kan oppakken. Het is tenslotte nog vroeg in de middag. Eerst maar moeder vragen of zij iets heeft liggen waar haast mee is. Of misschien willen de kinderen van Van Leuken, van aan de overkant van de Rijksweg, nog uit school langs komen om te passen. Hun jurkjes hangen op de hangertjes aan de grote kast in de keuken klaar.  Daar zou nog mooi tijd voor zijn. Wie weet, ze ziet dadelijk thuis wel wat het gaat worden. De naaimachine haalt ze in ieder geval niet meer voor de dag.

Onaangename verrassing
Thuis gekomen zet ze de fiets op de voorstal, voorzichtig naast de wasmachine, en loopt vandaar de dorsdeel op. Daar ziet ze broer Jan staan, in gesprek met een groepje mensen. Zij kijken haar allen verschrikt aan.
Jan stottert zelfs een beetje als hij zijn zus ziet. “B-Betsy? Gij al thuis? Wat ben je vroeg!”
Verbaasd bekijkt Betsy het tafereel.
“Loop maar door, moeder is binnen.” Met zijn hoofd maakt Jan een beweging dat Betsy door moet lopen.
In het voorbijgaan ziet Betsy in de gauwigheid Pieta, de zus van de vriendin van Jan. Met naast Pieta drie mannen waarvan er een verkleed is als pater. Betsy kent ze geen van drieën. Wat doen die hier bij hen op de dorsdeel? Zo stiekem. Raar hoor.

Niet welkom
Voordat ze het gangetje naar de keuken inloopt hoort ze Jan hen geruststellen. “Dat is mijn zus Bets, die houdt haar mond goed dicht hoor.”
In de keuken schenkt moeder juist koffie uit in zes mokken.
“Och durske, ik had jou nog helemaal niet thuis verwacht.”
Iedereen voelt zich duidelijk overvallen door Betsy’s vroege thuiskomst. Ze hangt haar jas op en bergt haar tas weg en besluit alleen wat verstelwerk op te pakken. Hier wil ze meer van weten.

Onderduikers
Even later zitten Jan, Pieta én de mannen met moeder aan de koffie rondom de keukentafel. Betsy heeft zich verdekt opgesteld. Weggedoken in de stoel naast het fornuis, onder de grote schouw, valt ze niet op. Zogenaamd druk met naald en draad luistert ze heel gespannen naar wat iedereen te vertellen heeft. 

De pater blijkt uit Nijmegen te komen, van het Augustijnenklooster, waar hij kok is. Hij is in Schaijk op zoek naar onderduikadressen en broer Jan helpt hem daar blijkbaar bij. De namen Albers, Weijers en van Dongen komen voorbij. Betsy probeert bij het horen van die bekende namen niet op te kijken.
Er wordt besloten dat één van de mannen, omdat ie bakker is, onderdak bij Bakkerij Cees van Dongen krijgt. Als dekmantel zal de pater daar brood meenemen voor het klooster.

Nadat iedereen vertrokken is haalt Jan opgelucht adem. Voor nu zijn er weer een paar mensen geholpen. Hij gebied Betsy nogmaals hier met niemand over te praten. Tijdens het avondeten doet Jan weer normaal en lijkt het alsof er die middag niks is gebeurd.

22 februari 1944
Betsy stormt, vol van het nieuws dat ze die dag heeft gehoord, de keuken binnen. Het fornuis onder de grote schouw staat vol met pruttelende pannen. Het ruikt er heerlijk. Zus Marie dekt net de tafel waar Betsy, haar zussen, broers en moeder zo kunnen aanschuiven. 

“Mam, ma-am! Marie, waar is ons mam? D’r is iets ergs gebeurd!”
“Die is net naar de goei kamer gelopen, die is er zo weer. Wat is er dan?”

Grote ramp
Moeder komt op het tumult af.
“Betske, wat is er aan de hand, wie.., waar…?”
“Niemand van ons mam, maar er is wat gebeurd in Nijmegen.”
Moeders gaat zitten en pakt gelijk haar rozenkrans uit een zak van haar scholk.
“Ze zeggen dat gisteren Nijmegen plat gebombardeerd is. En door de Amerikanen! Omdat ze dachten dat het Duitsland was. Er moeten heel veel doden zijn.”
“Och germ, och germ, mijn zus Kee en haar man Hendrik, hoe zou het met ze zijn? En hun dochters, och germ toch. Als er met hen maar niks gebeurd is.”
Het gejammer gaat door, ze slaat het ene kruis na het andere en prevelt enkele Onze Vaders achter elkaar. 

Familie
Als een half uur later iedereen aan tafel zit, bid moeder voor en eindigt zoals al deze oorlogsjaren met een speciaal gebedje voor haar kinderen die buitenshuis werkzaam zijn. Ze vernoemt ze allemaal; Albert, Harry, Dina en Corrie. En nu ook extra de familieleden uit Nijmegen.
Tijdens het eten vertelt Betsy aan de rest van de familie wat er die dag in Nijmegen is gebeurd. Broer Martien heeft het ook gehoord. “Het moet er heel erg zijn!”
Het geweeklaag van moeder houdt die avond aan totdat ze naar bed gaan.

Nadat Jan als laatste karweitje van de dag naast de kachel een stapeltje aanmaakhout voor de volgende ochtend heeft neergelegd, neemt moeder hem nog even apart.
“Jan, jongen, kan jij de ‘Pater’ vragen of hij bij tante Kee en ome Hendrik langs wil gaan. Om te zien of zij en hun gezin het bombardement hebben overleefd?”

Zwijgen
Terwijl moeder hierna alle deuren afsluit, vraagt Betsy heel zachtjes aan Jan: “Bedoelt ons mam de ‘Pater’ van pas geleden?”
“Ja,” fluistert Jan, “maar Bets, niet over praten hè.”

Gedichtje, geschreven door Betsy.
ZWIJGEN

Vanaf mijn vijfde jaar leerde ik op school al zwijgen,
braaf de armpjes over elkaar om een prentje te krijgen.
Wist toen niet dat die herinnering zou blijven.

Ook thuis, als één van de twaalf, moest ik dikwijls zwijgen.
Misschien dat ik daardoor al op mijn achtste jaar,
op geheime plaatsen op kladjes stiekem deed schrijven.

Toen de Duitsers op mijn veertiende ons land innamen,
Moest iedereen ongeveer vijf jaar lang met angst aan den lijven
Op zijn woorden letten en veel doen zwijgen.

Ik zie weer die pater met zijn onderduikers staan.
Daar achter op de dorsdeel werd heel geheimzinnig gedaan.
Jan zei dan ook keer op keer: “Bets denk eraan, ZWIJGEN!”